…is het wegleggen van mijn boek, het onderbreken van het lezen, opstaan van de bank, naar de keuken lopen en in de la van het aanrecht zoeken naar het plastic zakje met het schoonmaakmiddeltje en -doekje voor mijn brillenglazen. En dan het poetsen van de twee glazen aan beide kanten, geduld oefenend, terugverlangend naar de pagina’s en soms genoegen nemend met minder schone glazen.

…is het om de spullen van het kamperen weer op te ruimen in allerlei kasten en op verschillende planken verspreid door het huis: de klapstoelen bij de dakdragers en het tuingereedschap, de zware tent boven hoog droog op een schap, de tentharingen en -stokken beneden in de kelder bij de rugzakken, de modderige wandelschoenen drogend in de keuken, de schone kleren weer terug in de kast. En soms staat de hele zooi een week in de gang.

…is het om de banden van mijn fiets op te pompen voor vertrek. Mijn fiets pakken, sleutels uit het slot om de voordeur te openen, naar binnen de fietspomp pakken, de zwarte dopjes van de ventielen draaien, de banden spanning voelen, de knijper van de pompen plaatsen, zwaar op en neer door de knieën, niet te hard oppompen, weg willen rijden naar een afspraak, zwarte dopjes er weer op, pomp terugzetten, gedoe met de sleutels, jas dicht, handschoenen aan, snel weg. Vaak liever op halfzachte banden door de stad, uitkijkend naar een fietswinkel met lucht aan de deur.

… is het om naar de supermarkt om de hoek te gaan, inkopen voor recept uit de krant. Alles klaar zetten, schort om, muziekje, maar geen citroentje in huis. Kan ook zonder, maar deze keer niet want de chilivlokken zijn ook op. Improviseren gaat niet want zonder gaat deze keer echt niet. Veel moeite is het dan om schoenen en jas aan te doen,  sleutels&geld&telefoon&bril verzamelen, de kou in, gedoe in de winkel met mensen waar je tegenop loopt, afrekenen, bril op, bril af, scannen, poortjes, bonnetjes, schuifdeuren en lang wachten bij Café Het Stoplicht. Dan maar gewoon een pastaatje.

Als dingen moeite kosten dan ben ik lui en gemakzuchtig én vol energie en doelgericht. Dan wil ik niet opgehouden worden door kleine dingen. Dan wil ik alleen maar pagina’s verslinden, thuiskomen van het kamperen, mijn lief iets lekkers voorzetten en snel op de fiets kunnen springen.

Als dingen moeite kosten dan voel ik me verscheurd tussen wens en ongemak. Dan ben ik even van mijn padje. Wat wil ik nou?

Vroeg snelontbijt in de hut , klein uur aanlopen naar het ijs, stijgijzers onder, aan het touw en in de stralende zon eerst over stijl ijs, dan ploeterend door kniehoge sneeuw, puffend in de volle felle gletscherzon, droge keel, stappend in de sporen van de touwleider. Springend over een spleet blijft een dingetje op weg naar de Piz Buin, kapot. Een half uur rotsklimmen naar de top, boven foto’s, reepje, kijken, ademen. Lachend, kletsend terug, ik ben weer helemaal het mannetje, praatjes tijdens de afdaling. Flink doorstappen, het ijs smelt, struikelend, rot eind naar de Wiesbadener Hütte. Bijkomen in de namiddagzon. De komende twee uur strompel ik naar beneden achter mijn maten aan naar het stuwmeer onder de pas, dat maar niet dichterbij komt, in de auto op de achterbank eindelijk de schoenen uit.

Op weg vanuit vissersplaatsje Ullapool naar de hut Shenavall aan het Loch na Sealga  (twee uur boven de Dundonnell rivier, onderaan de donker bruine An Teallach) was het al koud,  keiharde wind en glad. Tegen de wind in leunend, hielden de wandelstokken ons overeind. De wind trekt, duwt, stoot, slaat ons vier dagen in het gezicht (windburned). Vanuit de hut zompend door rivieren en glibberend over bevroren passen. De laatste nacht in een hut met vuurtje van nat hout. Op weg met het geweldige schotse licht vallend door de wolken over groen, bruin, zwart en blauw. Na de laatste pas aan het eind van de middag in de stromende regen, door druipend bos en nat gras, op weg naar beneden….nog 10 km door een schitterend grauwe vallei over glinsterend asfalt. Lispelend en verlangend bellen we aan bij het eerste huis aan de doorgaande weg.

In Pebbles loop ik ca 15 minuten (van de 74!), in dor en snikheet India, dicht op de huid en gespannen mee met aangeschoten en rokende vader op veilige afstand gevolgd door zijn zoontje, over een landweg op weg terug naar hun dorp. Hun missie in een buurdorp is jammerlijk mislukt. Na een ransel, zonder water, op blote voeten tot elkaar veroordeeld, lopend, geen busgeld. Het jongetje is bang, let goed op het aantal meters tussen hem en zijn vader, toegeknepen ogen, alles straalt droog. Dan pakt hij een kiezelsteen, maakt hem schoon met zijn hemd, in zijn mond. Na uren afzien legt hij het steentje op een schapje in het keukenkastje op een stapeltje kiezels.

Maarten Biesheuvel denkt zichzelf op de fiets (in welk verhaal?) alsof hij de wereld onder zich laat draaien door op de pedalen te staan. Hij is helemaal content.

Met een big smile schrijdt pastoor Verpoorten door het middenpad naar voren. Een popband speelt. Ik herinner me een schallende trompet. Een heus drumstel. In de afgeladen kerk in Velp voel ik me in een andere wereld. Wat gebeurt hier? Dit wil ik ook! Ik zie uit naar het volgende nummer. Voor het eerst in mijn leven hoor ik een band live spelen. In een kerk! Teksten worden door mensen uit het publiek voorgelezen. Verpoorten -klein van stuk, kalend, bril, in vol priesterlijk ornaat- loopt naar de katheder. Mijn moeder stoot me aan: ‘nu komt de preek’. Alle oren in muisstilte op hem gericht. Daarna ontlading in stilte, weer muziek. Wat tierlantijnen en naar voren in de rij voor de hostie uit de hand, in de hand, met het ‘lichaam van Christus’ tegen het gehemelte terug in de bank. Verpoorten loopt blij weg door het midden. Blij rijdt mijn moeder met ons terug in de volle Kever.

Later, iets verderop in Dieren is Jan Aalbers de priester die in zwart pak met witte staande boord één van mijn oudere broers betrekt in praatgroepen en beatmissen. In Oikos zijn avonden en fuiven. Werd daar ook gezoend? Jan Aalbers grote rijzige man stapt af op het broertje van…: ‘Wat vind jij van Jezus?’ ‘Jezus is voor mij één van de vele revolutionairen’. Ik had de vraag aan zien aankomen.

Stuk later, iets verderop in Doesburg duikt pastoor Henk Andriessen op. In bruin corduroy pak loopt hij door het stadje. Als misdienaar zie ik zijn sandalen onder het priesterhabijt uitsteken. Ook beatmissen, gemengd jongens- en meisjeskoor. Aanstekelijk prekend uit het hoofd, meedeinend op de muziek, improviserend over de Derde Wereld. Plotseling zat ik in een busje vol leeftijdgenoten met Andriessen achter het stuur, richting Taizé. Een campingdorp vol jongeren. Net over de Franse grens organiseerde hij een slaapplaats op een zolder boven een pastorie. In Taizé hielpen helden in monnikspijen ons de wereld te veranderen. Het was allemaal groot en groots. Verwachtingsvol samenzijn, zingend in een stampvolle moderne betonnen kerk. Daar ’s avonds laat bij kaarslicht in stilte dommelend, liggend, luisterend, fluisterend ‘Is dit nou bidden?’

Veel later, veel verder reis ik met mijn burn-out af naar Plum Village om te mediteren in het dorp van Thich Nhat Hanh. Ik woon een week in een bijboerderij, met monniken en gasten. Ik blijf  lang en bang in mijn stapelbedje. Vanuit de schulp beland ik op een kussentje, in alle vroegte struikelend wandelend mediterend, doe de afwas, voetbal vijf minuten met een groepje monniken, maak praatjes. Wat doe ik hier?! Op mijn laatste dag in Zuid-Frankrijk een gezamenlijke maaltijd in volkomen stilte. Een gong gaat, stilte, Hij komt binnen. Ik zie hem vanuit mijn ooghoeken, ik voel hem op tien meter, iedereen voelt hem. Ik eet te snel, merk ik als ik naar het bord van mijn buurman kijk. Ik kauw aandachtig, en maak een sprintje om niet als laatste de zaal te verlaten. Zijn handschrift hangt hoog in de zaal: ‘This is it’.

In Velp hield het plotseling op want ‘hij is homosexueel’. Volgzamere types vervingen Jan Aalbers en Henk Andriessen. Prior frère Roger werd in 2015 neergestoken. Voor leraar Thich Nhat Hahn is de cirkel bijna rond, terug in Hué.

Helden komen, gaan én blijven.

zie ik geen spierwit haar.

zie ik geen haartjes uitsteken aan de zijkant van mijn oren.

zie ik geen haartjes uit mijn neus spruiten.

zie ik geen grijze baardstoppels.

zie ik geen rietige wenkbrauwen boven de brilrand.

zie ik geen ontsnapte zwarte haartjes op de wangen.

zie ik geen putjes op de neus.

zie ik geen geen haar achterop.

zie ik geen beginnend lelletje onder mijn kin.

Zonder spiegel loop ik zomaar als een jonge god de deur uit, als een Herman Brood.

Zonder spiegel vallen toen en nu samen.

De illusie van jong en sterk is gemakkelijk te leven, zonder spiegel.

Samen op weg van school naar huis breekt de stuurstang van Siebes fiets. Hij voelt het aankomen en kan op tijd afstappen. We kijken elkaar aan, we kijken naar de breuk. Voor de helft doorgezaagd.

Voor aanvang van zijn spreekbeurt Duits wordt Theo voor een boodschap naar de conciërge gestuurd. De leraar: Zo meteen geen geintjes, jongens. Alleen luisteren!

Siebe was deel van het groepje leerlingen dat elke dag heen en weer fietste naar school, ongeveer 22 kilometer. Een instromer. Groot, sterk, beginnende stoppeltjes, haren op de benen, basstem. Een tempomaker, die ons uit de wind hield. We fietsten veel samen op. Op school hadden we nauwelijks contact. Met sporten werd hij ingezet als stormram. Hij zat met de bètaslimmeriken in een hoekje in de aula, met leren schooltas, broodtrommel, chocolademelk in halve-liter-beugelflessen in een krant gewikkeld, nog net warm in de eerste korte pauze. Op zijn gemak, mijlenver weg van het rookhol.

Theo was klein van stuk, ook een bril, zwart zwaar montuur. Super slim, op zijn sloffen. Slofte alleen door de gangen, van lokaal naar lokaal. De grote trap af, in de aula zoekend naar een plekje. Bij gym werd hij altijd ná mij gekozen. Voor mij was achter in de rij een pose. Hij was altijd hekkensluiter. Hij was al snel tefal.

Na het stuur reed ik een keer mee naar zijn huis. Siebes moeder vroeg op het tuinpad tussen neus en lippen door wat er toch met hem was op school. Ik haalde mijn schouders op en draaide me om naar mijn fiets.

Het hoorde erbij, twee outsiders in de klas. Het was geen pesten, toen. Negeren ook niet.

Ik sprong niet in, hielp niet, kwam niet op, lachte mee. Ik stond erbij en keek.

IVOREN DOOSJE

In het met ivoren wybertjes beklede doosje (erfenis op een boekenplank) liggen tot postzegelgroot gevouwen papiertjes met gedachten en citaten. Er ligt ook ergens een verzilverde sigarettenhouder met aantekeningen op stukjes papier geklemd achter het elastiekje. Bewaardoosjes. Soms valt mijn oog op deze ‘schatten’, kijk ik er in, raak aan, ruik en héél soms lees ik, raak ik lang geleden aan.

Achterin mijn dagboekschriften hield ik bij in kleinschrift chronologisch welke films van welke regisseurs ik wanneer heb gezien. Op een andere lijst, dezelfde schriften, noteerde ik de honderden theater- en dansvoorstellingen die ik afliep in het hele land en af en toe daarbuiten, vooral België. Tijdens verloren momenten in de berging zit ik weer in zaaltjes.

Aij jai jai, bij een opruimronde belandde de doos vol met theaterprogramma's in de papierbak.

Lange periodes kocht ik romans, vooral in de ramsj, en las ik met potlood om belangrijke passages te onderstrepen, of zette dunne streepje in de kantlijn tegen de ‘besmetting’ van het heilige papier. Na zo’n periode mocht het potlood niet meer, waar ik later spijt van kreeg. Veel strepen zijn via de straatbibliotheek over de wereld verspreid .

In de kelder naast de bergwandelschoenen staat een verhuisdoos vol met topografische kaarten en wandelgidsen van wandelingen in de Ardennen, Jura en Vogezen, later de Alpen, Pyreneeën, Kreta, de rest van de wereld. In een schoenendoos ín de doos enkel Schotland. Ik ben zo een uur onderweg als ik op zoek ben naar een kaart.

Rugzakken in alle maten en soorten, de grote slordig gestapeld op de koffers. De kleine rugzakken hangen verspreid in het huis aan kapstokken en haken. De kleuren en de touch van elke zak leiden mij exact terug naar jaar en plek, afzien of verpozen, solo of met de clan.

Mijn eerste ooit heb ik, totaal afgedragen, afgedankt. Een reisgenoot verdwaald aan de kant van de weg.

De kisten met verfblikken, sommige al verroest, wijzen me de weg naar vensterbank kinderkamer, vloer vóór, drempel keuken en bank tuin. De gelekte verf aan de buitenkant dirigeert het oog naar het werk.

Ik kleef aan materie.

OOG

Bij binnenkomst van de tempel  een nerveuze blik omhoog, oog in oog. Meteen weer: Waar kijk ik naar? Waarom roert het mij zo? Hoe kregen ze dit voor elkaar? Kijk ik hier recht in de hemel?

Een ontzagwekkend weerzien na 40 jaar. Toen met een bus vol tieneradolescenten. Nu aangewandeld vanuit de heuvels van Umbrië en Lazio.

Zoveel overspannen lucht als eerbetoon aan alle goden. Het Licht kijkt op hen neer. De koepel straalt intimiderende macht en rijkdom, overeind gehouden door trots Romeins beton, kleine 2000 jaar geleden gemengd en gegoten. Een omarming in steen en mortel. Ready for take-off, Thunderbirds!

Een koepel met een lichtkrans als kroon, verbinding tussen aarde en hemel. De lucht- en lichtstroom trekt mij naar boven, naar buiten.  Daar komt geen pilletje aan te pas. De bezoeker denkt zichzelf tussen de goden. De ruimte vanaf ooghoogte is voor mij alleen. Heimwee naar een platte aarde, gestolpt.

Volgens www.teggelaar.com verwijst het oog naar een idee van Plato: Het gelukzalige godenras beweegt zich aan de hemel langs prachtige banen waar allerlei schitterende dingen te zien zijn. Iedere god verricht zijn eigen taak en daarbij mag telkens ieder mee die dat wil en kan, want voor afgunst is in de kosmische reidans geen plaats. Wanneer ze naar een feestelijk diner gaan, rijden ze steil omhoog naar de top van het hemelgewelf. […] De (onsterfelijke) rijden, wanneer ze de top van het gewelf hebben bereikt, naar buiten en stellen zich op de rug van de hemel op. Zij draaien dan in de omwenteling [van de hemel] mee en bezichtigen alles wat buiten de hemel is. Het gebied boven het hemelgewelf is nog door geen dichter van hier bezongen en niemand zal het ook ooit naar behoren bezingen.

Wij, kleine goden, kijken vanaf de oculusrand en proberen te zien. Wij dromen en liegen ons een plekje naast de goden. Wij, scharrelaars, doen ons best.

TIJD

Vroeger (vroeger bestaat ineens) zat ikmet mijn broers en zussen in het zonnetje achter op het balkonnetje op krukjes rondom een volle veilingkist uren lang sperziebonen (‘van de boer’) te rangen.  Sperziebonen, snijbonen, doperwten, schoongemaakte spruiten, gewassen en fijngesneden boerenkool en allerlei vleespakketten maakten we voor een jaar. Eén keer per week werd een compleet weekmenu opgehaald uit het vrieshuis in Angerlo, een dorp verderop. Een uitstapje.

Het was een eer als ik door mijn moeder werd gevraagd om koffie te malen. Héél vroeger met een vierkante houten koffiemolen tussen de knieën op een stoel in de keuken, voeten bengelend. Een paar jaar later staand op een krukje onder de Douwe Egberts wandkoffiemolen aan de deurpost, boven mijn macht zwengelend.  Oh nostalgie……..de geur van de verse bonen, het gruizende geluid, de voldoening van het voller wordende glazen schuifbakje, het zwarte gruis opvegen van het zijl, Buisman, een koffiepot met een kijkglaasje, optrekkend water in de koffiefilter, dat werk.     

Daarna werd alles zo anders. Tot aan nu.

Na de ochtendrituelen, laptop openen, telefoontjes, things-to-do, een kijk op de klok. Ik spring op en pak een klein handzaam koffiemolentje, steek mijn neus in het blik, laat de glimmend glanzende gladde bonen door mijn handen gaan, ga zitten op een soort van keukentrapje en maal. Ik maal vier, vijf minuten. Ik en mijn krakende bonen, wiegend met het draaien. De smaakpupillen slaan aan, ruikend gaat de verse koffie in de Italiaan, het gepruttel overal in huis hoorbaar, zin krijgen in.

of

Walnoten rapen in Harlingen of Geldermalsen, zwarte handen, kisten vol. Onderweg terug natte noten proeven, thuis in de badkuip wassen, noten op alle verwarmingsroosters, het rollende geluid van kerende noten. Het maandelijkse kraken aan de keukentafel (waar anders), de rondspattende schillen, de notenkraker ligt metaligzwaar in de hand, proeven, peuteren, selecteren, de prullenbak vol met schillen. Anderhalf uur kraken voor driehonderd gram walnoten. Gekraakte noten tegen het ouder worden.

Laat mij bergen pompoen, aubergine, courgette of wortelen snijden, op een dikke houten plank, mes aangezet, en ik ben een gelukkig mens. Urenlang kisten vol appels en peren direct van de boom in parten snijden in de sapmaker voor de cider, pruttelende emmers in de kelder. Wachten, kijken, maanden verstrijken, bottelen, proeven. Ik kan een uur lang boven rijzend bakmeel hangen. Of witte bonen ’s avonds door mijn vingers in een pan met water laten glijden, ’s ochtends verheugd de deksel tillen, geweld! ’s Avonds een rijke bron van zaden na 24 uur en vuur.

Rangen, doppen, malen, snijden, kraken, wellen, spoelen, drogen vertraagt. Werktuigelijk bevriest de tijd, tastbaar. De herhaling maakt vrij. In aandacht vliedt de tijd. Ik geef me over.

KUCHE

Op deze vrijdagmiddag is het hectisch in hospice het Veerhuis: er is een spoedopname, veel vrijwilligers springen bij. In de huiskamer zit bezoek van de bewoners. Én Richard en David (respectievelijk partner en goede vriend van de voormalige bewoner Daan) staan plotseling in de keuken met een zelfgebakken Kuche.

Ik ben een fan van Richard, vol bewondering over zijn trouw aan zijn stervende partner enkele maanden geleden. Weken lang week hij niet van zijn zijde. Hij had een bed geplaatst naast dat van zijn partner. Regelmatig waren ze samen in de tuin te vinden.

Ik stel mijn rondje langs de bewoners (ik ben Karel de kok) uit en onze tuinvrouw schuift aan. Aan de keukentafel drinken we thee en koffie. Richard snijdt de zelfgebakken cake aan. Onverwacht wordt er een kartonnen draagdoosje boven tafel getoverd: de twee mannen hebben zojuist de as van hun vriend opgehaald bij De Nieuwe Ooster: Nu zijn we weer met z’n drieën.

Nog maar een hapje gebak, van de Johannesbeerkuche…… Het doosje wordt weer op de grond tussen hen ingezet.

Wat is jouw Kuchemoment, Richard?’, vraag ik. Hij vertelt dat hij in zijn studententijd verslaafd is geweest aan cake met sesamzaadjes: grote stukken cake met van die knapperige zaadjes er in. Ik vertel over Herr und Frau Tietmeijer en hun Konditorei aan de voet van de burcht in Bad Bentheim, onze favoriete stopplaats net over de grens.

Langzaam lost het samenzijn op en nemen anderen het gesprek over. Ik maak mijn rondje en als ik vijf minuten later terug ben in de keuken zijn Richard en David al weer weg. Er staat er nog een stukje Kuche op tafel.

Een week later stuurt Richard zijn Kucherecept door.

NB: de namen zijn fictief.

Recept

Ingrediënten

300 gr bloem - ik neem de helft ervan als boekweitbloem

300 gr. fijn geraspte noten (hazelnoten) of amandelen - ik neem normaal altijd amandelbloem, maar je wou misschien experimenteren met verschillende smaken, ook geraspte walnoten met amandelbloem of fijn geraspte amandelen is fijn

300 gr boter - of iets minder, in kleine stukken, maar koud

220 gr poedersuiker - ik neem iets minder

1 ei + 1 eidooier

kruidnagelpoeder - voorzichtig

kaneel - ik neem er altijd meer van

schil en sap van een onbehandelde citroen - of limoen is ook fijn

1 witte oblate (een heel dunne en droge wafel) om op de deeg te plaatsen om de jam op te doen, het gaat ook zonder

1 losgeklopt ei om de taart te coaten

  1. 40 gr fijngesneden amandelschijfjes

poedersuiker vermengd met vanillesuiker om de taart aan het eind te bestrooien

aalbessenjam (rode bessen) niet te fijn, geen gelei

Bereiding

Rasp de schil van de citroen , pers de sap

In een grotere schaal de bloem en geraspte amandelen of noten goed mengen. Boter met de gemengd bloem kruimelen, maar niet te lang, het moet kruimelig blijven.

Alle andere ingrediënten snel toevoegen en vermengen. Maak er een bol van en laat een half uur in de koelkast met folie bedekt staan.

Tweederde van de deeg in een ronde bakvorm doen, oblate erop (of zonder) een vingerdikke rand overlaten en de jam erop.

Op de vingerdikke rand met een deel van de laatste 1/3 deeg een dikke streep plaatsen en met de rest (ja dan kan het soms te weinig deeg zijn...) worsten draaien en op de jamlaag plaatsen. Niet rechthoekig maar als trapeze (heel belangrijk!). Daarna met het losgeklopte ei coaten, amandelschijfjes erop, (ik druppel dan nog een beetje amandellikeur Di Saronno erop) en ca 40 minuten op middelmatige hitte bakken. Niet te heet en niet te droog laten bakken. Als de korst licht bruin is, is het genoeg.

Laten afkoelen, uit de vorm nemen en met een beetje poedersuiker bestrooien, met folie afdekken. Tenminste een dag wachten met aansnijden! De Kuche wordt met de dagen steeds beter.

Bezield land

Aan de Linge in de Betuwe, in de Kortenhoefse Plassen en op het platste Friese land in Baard werken en wonen vrienden op het land. Bevlogen, ondernemend, zoekend, ploeterend, genietend boetseren ze land. Alle momenten zijn ze bezig met het combineren van land, huis, mensen, beesten en bloemen. Elke vierkante decimeter van hun land hebben ze al honderd keer van zeer dichtbij bekeken, aangeraakt, geroken en over nagedacht: Wat gebeurt hier? Wat gaan we er mee doen?

Aan een grote lus van de Linge hebben Martin en Willemijn hun handen vol aan hun geërfde huis en een groot stuk grond: hooiland aan de rivier, een kersenboomgaard achter het huis en een grote tuin vòòr aan de weg. ‘Gemengd bedrijf’, schiet me te binnen vanuit de schoolbanken. Het heeft alles van een voormalige boerderij met schuren en bijschuurtjes, werkplaatsen, werktuigen, koelhuizen, een tractor zonder kap. In later tijden zijn daar de ateliers bijgekomen. Altijd is er werk te doen. Zit je stil dan storten gebouwen in, overwoekeren sloten en paden, barst het kozijnhout en vallen het fruit en de noten ten prooi aan dierenverzamelaars. Er is ook tijd en ruimte om samen te zijn, samen met vrienden koffiedrinken, eettafels vol zetten, feest te vieren en uit te varen. Stadse lui met groene vingers en liefde voor de cirkels van het land. Wij snoeien, rapen, plukken, kamperen en zwemmen hier van harte.

Aan een lange smalle strook land in de Kortenhoefse Plassen (twee honderd meter van de dijk, bruggetje over, vlonder af) ligt de woonboot van Marieke en Jan-Jaap midden in het zompige turfse natte land. Sloot na sloot, oplegakkers die eindigen in de plas, bootjes en supplanken die je ergens brengen. Open langgerekte oplegakkers wijzen naar de horizon, schapenpaadjes wijzen de weg. Hoge bomen gegroepeerd op droge stukjes markeren de toegang tot het bos. Zij zijn sinds kort begonnen met het leven op land en water. Dat begon met namen geven: het Heilig Land, het Land van de Drie Eiken, de Lange Akker en de eerste en tweede Schapenwei. Dat begon met houtgestookte ovens te bouwen voor kleibeelden. Dat begon met wilde schapen. Dat begon met het aanleggen van een moestuin. Dat begon met de vraag: Wat willen we met deze schone weerbarstigheid? Hoe scheppen we voor onszelf en anderen de ruimte voor retraite, dans, natuur, samenwerken. De vraag die ze ons stelden: Welk verlangen wordt bij jou opgeroepen als je hier bent? Wij steken hier elzen, graven geulen, koken soep, sjouwen en peddelen hier van harte.

Aan de landweg, net na het gemeentegrensbord van Baard, bouwen Anke en Oep aan de omuitaanbouw van de schuur naar een woonhuis. De stoffeerderij moest inboeten om te kunnen gaan wonen met uitzicht op een groene woestijn met sloten doorsneden. Eindeloos groen land met een lege horizon. Met daarachter de zekerheid van weer dorpjes met kerktorens, ophaalbruggetjes over vaarten, grote boerenhoeven en rijen knechthuisjes. Gewapend met vier rechtse handen bouwen zij naar eigen-ontwerp-zonder-bouwtekeningen een nieuwe aanbouw met gerecycleerde materialen. Fundering storten op zandgrond, houten opbouw, platendak, de muurvlakken worden opgevuld met leemblokken, een berghutkachel, dat werk. Leven is hier werken is bouwen is nadenken over de volgende klus van morgen. Leven is hier aan de lange tafel ’s avonds tijdens de maaltijd de duizend duizelingwekkende details herhalen, zwaar en inspirerend. Zij branden naar Japanse aard de planken voor de buitenmuur. Dankbaar laten zij zich voortduwen door helpende handen. Wij kruien hier blauwe klei, stoken vuur en lijnen van harte uit.

Het land geeft zich niet zomaar gewonnen. Het land geeft veel na overwonnen te zijn. Het land wikt en weegt: Laat ik toe? Het land herkent de ziel en doet mee.

Amsterdam, 27 december 2020