Na een blauwe maandag rechten aan de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen stelde een uitzendbureau mij te werk in een oliefabriek in Kleef, net over de grens.  ‘s Avonds op de fiets naar Duitsland voor de nachtdienst. Ik bleek te werken ergens hoog achter, stalen trappen op en af in het fabriekscomplex waar de olie werd geperst: heet, smerig, klein, lawaai, stank, glad ook.

Mijn collega was een gedrongen stevig gespierde zestiger die mij vier keer per nacht kwam ophalen uit ‘de kantine’ voor het schoonmaken van de oliepersen. Dat waren lange gietijzeren stellages met elk circa 20 ‘ramen’ waar in de lengterichting de olie doorheen werd gestuwd en daarmee gefilterd. De ramen raakten na enkele uren vol met residuen die door ons moesten worden verwijderd.

Op het sein van mijn Duitse collega draaiden we de stilgezette vervuilde pers open en schraapten met een spatel in hoog tempo voorovergebogen in de warme pers de ramen aan beide kanten schoon. De loodzware schone ramen verschoven we een paar meter naar achter om aan de volgende te beginnen.

Na enkele ramen kreeg ik het al te kwaad, de collega zweepte me op (‘schneller!’) en bemoedigde de werkstudent (‘nur noch fünfzehn’). Het zweet brak me aan alle kanten uit, de pers moest ‘so schnell wie möglich’ weer in werking worden gesteld. Na tien ramen was ik kapot. De Duitser keek naar me (hij moest het met mij doen)  en gaf me een opbeurend standje: ‘Karl, stell dich doch nicht so dumm ab!’. Na deze schrobbering (‘onnozele, jij kunt beter!’) maakten we het werk (ik op mijn tandvlees) af en mocht ik weer naar het schafthok. Daar viel ik in slaap met mijn hoofd op tafel tot ik weer gewekt werd.

Midden augustus, snik heet, steek ik elzen midden in de Kortenhoefse plassen op een zod op het schitterende land van vrienden met uitzicht op het oude kerkje van Kortenhoef. Elzen woekeren daar aan de slootkant en midden op de lange verende langgerekte ‘eilanden’ tussen het riet. Het streven is om het open landschap te behouden. Zelfvoorzienende schapen (bruine, stevige, gehoornde, kleine schuwe doorzetters) helpen daarbij.

Bij het verdelen van het werk ’s ochtends zie ik er tegen op om in de felle zon het half-moeras in te gaan. Ik heb zin om de stadse luiheid (des te groter op het platteland) te laten duren in dit paradijsje, waar alles wegrot waar je bij staat. Maar ik wordt ook geprikkeld door zelfoverschatting, ‘doe ik wel eventjes’. Het blijkt een gigantische onderschatting te zijn van de els, helemaal op z’n gemakkie met zijn wortels (hard maar nog niet verhout) goed verankerd, zijn zeer buigzame stam en meerdere stammen op één wortel.

De stam buigen tot op de grond, met de spade rondom uitsteken, met de bijl de hardnekkigste wortels te lijf en met z’n tweeën eruit trekken……. Het kost een enorme kracht om de zware kluit met de haarwortels van de els en die van het omringende riet uit de zuigende blubber los te krijgen. Het voornemen om onze krachten te sparen voor de andere vijftig manshoge bomen/struiken wordt keer op keer de kop ingedrukt door de taaiheid, buigzaamheid, weerbarstigheid en wilskracht van de elzen. Het is een strijd in de volle zon, in het zompige land alleen te winnen door niet te denken aan  alle andere elzen die nog gestoken moeten worden.

Ik zie turfstekers in de regen heel lange dagen maken in het zompige zuigende, iets tussen water en land.

Ik, onnozele, tik met mijn wattenvingers dit stukje weg.

Ik ben geboren en getogen in Hanzestadje Doesburg, ‘klein stadje daar aan de IJsselstroom’. Vanaf de kade kan je de Veluwe in de verte zien liggen.

Op de Oude IJssel zeilde ik als fokkemaatje met mijn broers in een houten Schakel.

Aan de Waal bij Nijmegen was het stroomopwaarts wandelen, flaneren, zwemmen, uithuilen en wakker worden.

Op weg naar het zuiden kijk ik altijd uit naar de vergezichten over de Lek, de Waal en de Maas. Bij de naambordjes van de Hollandse IJssel, Linge, Essche Stroom en Dommel maak ik me voorstellingen hoe het stroomt achter de geluidswallen.

Bij Maasluis op de dijk aan de Nieuwe Waterweg kijk ik naar de kolossale zeeschepen en ander vaartuig richting zee.

In een scherpe bocht van de Linge zwemmen we vanaf een steigertje op het land van Martin en Willemijn tegen de stroom in ‘tot aan het slootje’.

Op de kade van de oude binnenstad van Dordrecht vergaap ik me aan de enorme watermassa’s in de  Beneden Merwede, de Noord en de Oude Maas die daar samenkomen en de zee zoeken.

Net over de Belgische grens stroomt de Geul richting Epen. Dit dal is één van mijn favoriete plekjes van Nederland. Doordeweeks een keer op je rug in het gras de voeten bungelend in het koude water.

Wandelend langs de Overijsselse Vecht vanaf Ommen (verzand en met veel dode takken) stel ik me voor hoe de zandstenen blokken vanuit Bad Bentheim in platbodempjes werden vervoerd en uiteindelijk terecht kwamen op de Dam.

Op de Veluwe overvalt me plotseling geluk bij het horen en voelen van het koude snelstromende glasheldere  water in de sprengen en beken, vers uit de bron. Pootje baden in het door de bomen gefilterde licht.

En de Amstel? Ach de Amstel.

Met een leuk centje uit de erfenis van mijn ouders kochten we in 2000 een huisje op het strand van IJmuiden: stadse lui met een grote voortuin. Ik parkeer de auto, doe mijn schoenen uit, stap in het zand en voel! Met de tassen in onze handen lopen we over de duinen en zien de grote plas water opdoemen. De horizon, de herkenning, de zee als personage, praten met de zee. De blijheid weer in de nabijheid te zijn van deze oneindigheid.

Twintig jaar leven op het strand:

  • onze dochters jaren lang de queens van de mini playback show: ‘en de winnaar is…’.
  • drie masten en twee rompen van mijn Laser verspeeld in de golven, bang: ‘nu toch maar beter terug’.
  • groepjes kinderen die in de lange zomervakanties van huisje naar huisje naar huisje slenterden: ‘…en nu allemaal wegwezen!’.
  • een diepe kuil graven, op zoek naar het koppelstuk van de wateraansluiting: ‘heb j’um?’.
  • twee mannen naast elkaar ’s ochtends vroeg ieder zijn eigen urinoir, strak naar buiten kijkend: ‘moggû’.
  • elke ochtend het hele seizoen door zwemmen in de vlakke zee, in de hoge golven. De sterke stroming trekt en duwt: ‘pas op voor muien!’
  • ’s ochtends ontbijt, de zon op zien komen over de rand van de duinen, het goudgeel van het wuivende helmgras: ‘kijk nou…’.
  • de zon die ondergaat net boven de zuidpier: avond aan avond jezelf vergapen aan het rood, de stilte die over het strand komt: ‘hij is bijna weg’.
  • met skibril op door de zandstorm naar het voorstrand lopen, gezandstraald.
  • de donkergrijze wolken boven zee, de overrompelende hoosbui, de zon breekt weer door….of de bui die niet valt: ‘in Amsterdam valt het vast met bakken uit de hemel’.
  • het slaglicht van de vuurtoren dat reflecteert op de masten van de zeilboten op het voorstrand: ‘één, twee, drie, vier, vijf….één twee, drie, vier, vijf’.
  • het bankbed opmaken, de voordeuren wijd open, vanuit je bedje staren naar het verstrijken van de tijd: sprakeloos.
  • samen-eten-met-zeezicht, op de vlonder met onze dochters, met vrienden, met passanten die aanwaaien, met je buren, met z’n twee: ‘jij nog een slokkie?’.
  • het stikhete huisje binnenkomen en als eerste dwangmatig op je knieën om het ijskastje op gas met een lucifertje aan te steken.
  • balend dat ineens een roestschroef zich laat zien op je strak geschilderde buitenkant ‘hoe kan dat nou?!’.
  • niet meer weten waar je het moet zoeken van de hitte, klagend: ‘godsamme!’.
  • het voortdurende groeten van en de gesprekjes met je dorpsgenoten over het weer, de temperatuur van het water, het opgewaaide zand, het klussen, de wist-je-datjes van het kamp.
  • dankbaarheid en bezwering: ‘Angel of water enter my blood. And give the water of life to my whole body’.
  • de veerboot geeft de tijd aan, laat zich horen ’s ochtend negen uur in, ’s avonds 6 uur uit: ‘hij is laat vandaag’.
  • van oud-buren ligt er een rouwkaart in de bus, nieuwe buren stellen zich voor: ‘hé, leuk’.

Twintig jaar lang van april tot en met september hetzelfde decor, dezelfde mensen, dezelfde wandelingetjes, de routines en de rituelen. De kleine dingen die verbijzonderen doordat je je niet laat afleiden door dingen die nog moeten. Twintig jaar lang hetzelfde ervaren en elke keer net iets anders. De sensatie en verwondering dat het elke keer weer héél anders is. Na twintig jaar tijd voor andere verhalen.

Rijtjes

Gert Jan, Herman, Carla, Pietje, Myriam, Yvonne, George, Max, Oortje, Roel, Joop, Kip, Wil en oma is zo’n rijtje. Ik maak me een voorstelling van gezichten en namen van clubjes, klassen en werk van lang geleden. De tennisclub uit Doesburg, de namen van mijn vriendinnetjes op de middelbare, de Schrijversgroep, de eerste klas van het Sint Ludger College in Doetinchem, de bewoners van het eerste studentenhuis in Nijmegen, de staf van Doornroosje in Nijmegen ten tijde van mijn eerste betaalde baan.

En nu ineens de namen van enkele klasgenoten uit de zesde klas van de rooms-katholieke lagere jongensschool uit Doesburg:

Met Bertie (zoon van de visboer in de Bergstraat en mijn beste vriendje) werd ik door de pastoor onder schooltijd opgehaald om als misdienaar bij een begrafenis te dienen.

Theo en ik waren dikke maatjes als we na school onze laarzen en overalls aantrokken om te scharrelen op de kaai aan de IJssel.

René scheurde op het schoolplein iedereen voorbij alsof hij op een brommer snel optrok.

Tonny, ook wel Bullo, ramde dwars door de ‘beveiliging’ van ons hol om zijn kompanen te bevrijden.

Leonard van de Oranjesingel voetbalde (met gaten in de neuzen van zijn schoenen) als de beste met keitjes op het schoolplein. Hij gooide met gemak een tennisbal over het schoolgebouw.

Henk was altijd heel rustig, haalde jaloersmakende hoge cijfers en zat het hele zesde jaar aan het tafeltje naast mij.

Pietje-uit-het-woonwagenkamp gooide tijdens de godsdienstles keihard een gummetje naar de kapelaan; het ding  ketste af op het schoolbord.

Wim kwam op zijn verjaardag met een nieuwe fiets op school. De volgende dag had hij er een ‘racefiets’ van gemaakt.

Bij Sjon uit het steegje naar de Martinikerk aten ze tussen de middag gebakken ui op brood.

Koen zat op de eerste rij bij de lessenaar. Hij was de absolute beste van de klas en ging als enige naar het gymnasium in Arnhem, elke dag 20 kilometer fietsen.

Eric zat helemaal links achterin en siste naar alle jongens op de achterste rij om ons te laten kijken naar de bewegende bobbel in zijn broek.

Ineens een zeer levende herinnering aan zo veel gezichten, verhalen en levens. Een klas met zeer veel smaken en kleuren. We kenden elkaar goed. We begonnen met omkijken naar meisjes, we jatten kauwgom, keken de invaljuf onder de rok, baalden toen al van onze ouders, keken op naar onze oudere broers. We waren hecht met elkaar in een belangrijke periode van onze levens. Na de zomervakantie zagen we elkaar niet meer. Nog steeds zijn ze me allemaal dierbaar.

In tijden van betrekkelijk sociaal isolement is er blijkbaar (meer) tijd om te mijmeren. Er is tijd en ruimte om de aandacht niet alleen te richten op nuttige dingen. Alleen maar planmatig te werk te gaan is niet per sé nodig. Er is tijd voor herinnering, loslaten, creativiteit, ontspanning en niets doen.

De rijtjes zeggen me dat ik behoefte heb om mijn herinnering in te kleuren. De rijtjes produceren legio namen en gezichten die me dierbaar zijn. Al die mensen die ik onderweg heb ontmoet, hebben mij gevormd. We hebben even samen opgelopen, samen geschiedenis gemaakt. We zijn allemaal met elkaar verbonden.

altijd al was ik er niet,

nu ben ik er even wel, en straks ben ik er weer heel lang niet en in die onbestaande toestand maak ik de hele wereld mee.

ik ben zand op de bodem van de oceaan, behalve heel even daar waar ik leef, daar ben ik een klein eilandje, met een palmboom misschien, en dan weer heel lang onder water.

                                                              Nicole Kaandorp

Onbestaandheid

Het woord onbestaandheid trof me toen ik samen met dichter Nicole Kaandorp deelnam aan een avond over de dood (de zoveelste, maar het kunnen er nooit genoeg zijn) in Vox Pop aan de UvA. Op basis van haar tekst, die zij ter plekke voordroeg, leidde ik een Benedictijnse Dialoog light.

Zij gebruikte de woorden en beelden die al een tijdje in mijn hoofd op zoek waren naar een plekje, een laatje, om zich daar geriefelijk en geordend te ruste te leggen.

Het leven hier op aarde kan ik me voorstellen als een tijdelijke onderbreking van een veel langer bestaan ergens anders. Heel lang ben ik er niet, dan leef ik even en dan ga ik weer op in een groter geheel. Dat heel lang er niet zijn noemt Nicole de onbestaandheid, voor de geboorte en ná de dood. (of: heel lang leven we hier op aarde, dan zijn we er even niet en daarna  verschijnen we weer in een fysieke vorm). ‘…en in die onbestaande toestand maak ik de hele wereld mee’ drukt uit dat hoewel we geen fysiek hebben er toch zijn.

Waarom geeft dit concept mij rust (en troost!)?

Het is een manier van denken voorbij de strakke definities en percepties van leven en dood. Het geeft mij een plek op een niet-lineaire tijdlijn, één die niets meer met tijd te maken heeft.

Ik kan me op deze manier zien als iets in een ondenkbaar groot universum. Een universum waar ik uit voortkom als uit sterrenstof, als een korreltje zand op de bodem van de oceaan. In menselijke termen ben ik tijdens mijn leven heel concreet hier op aarde. En daarna ben ik weer onderdeel van het grote geheel.

Dit beeld (bedacht natuurlijk, enkel en alleen om het mirakel van leven en dood hanteerbaar te maken) stelt me gerust omdat het me optilt boven het aardse gedoe. Ik hoef me geen zorgen te maken over het feit of het allemaal wel goed met me komt. Het ís goed!

Én het stelt me gerust dat ik er altijd ben. Ik zal er ook na mijn dood zijn voor mijn geliefden en vrienden. In die permanente aanwezigheid krijgt herinneren een andere dimensie. De gedachte dat ik pas dood ben als ik niet meer herinnerd wordt lijkt minder relevant. Ik besta voorbij de herinnering. In verbondenheid met alles en iedereen.

Soms kan ik best wel ongeduldig zijn tijdens een gesprek. Dan zit ik op het puntje van mijn stoel om de ander te onderbreken. En denk van de ander: ‘Ja dat weet ik nou wel, schiet nou eens op’. Of denk ik van mezelf: ‘Hou nou even je mond. Laat haar/hem nou even uitpraten’.

Een hardnekkig weeffoutje, vaak ook in de categorie ‘Oh verdikkeme, ik doe het weer’.

Er zijn heel wat cursussen, opleidingen, instellingen, instituten, leraren, coaches en therapeuten die je graag willen opleiden tot een goede luisteraar.

Een daarvan trof ik aan onder de illustere naam Internationaal Listening Association, de ILA. The most basic of human needs is the need to understand and be understood. The best way to understand people is to listen to them, is het mission statement van the father of listening Ralph G. Nichols. Eerst de ander begrijpen, dan begrepen worden.

Dat smaakte naar meer. Wat me trof was een zeer doeltreffend rijtje met irritant luistergedrag, een mooie checklist om jezelf te betrappen:

o  De spreker onderbreken

o  De spreker niet aankijken

o  De spreker opjagen en hem het gevoel geven dat hij jouw tijd verdoet

o  Andere interesse tonen dan in het gesprek

o  De zinnen van de spreker afmaken

o  Niet reageren op de vragen van de spreker

o  ‘Ja maar…’ zeggen

o  ‘Dat doet me denken aan…’

o  ‘Dat is nog helemaal niets vergeleken bij…’

o  Vergeten wat er eerder gezegd is

o  Te veel vragen stellen

o  Te veel op details ingaan

o  ‘Oh, dát is interessant’

o  De spreker bekritiseren

o  Alleen maar naar de feiten luisteren

o  Doen alsof jouw aandacht bij het gesprek is

Een pittig lijstje, toch?!

In Listening is a 10 part skill geeft Ralph Nicols in minder dan 15 pagina’s inzicht hoe je je luisteren kunt verbeteren.

Eveneens kort en krachtig legt Manu Keirse in Bestaat er een medicijn tegen verdriet? uit welke vier, niet geringe, taken er moeten worden verricht bij rouwarbeid. En ja, er bestaat een medicijn bij verlies en verdriet: luisteren!

Iedereen heeft zijn eigen verdriet. Elkaar daarin steunen vergt soms ook wat arbeid van de luisteraar. Maar dan heb je ook wat!

Amsterdam, 4 februari 2020

Zwaaien naar tante Trees,

Jeanne, Bernard, Engelien, Willy, Ria, Ad, Annie, Trees en Wim.Alle negen ooms en tantes van mijn vaders kant op rij op leeftijd. Van de hele rits is Bernard (mijn vader) als eerste overleden. Tante Trees is de laatste die nog leeft, 94 jaar oud. Bij elkaar opgeteld zijn deze negen goed voor zo’n zes tot zeven eeuwen aan levensjaren.

Er is een foto waar ze alle negen als jonge kinderen op leeftijd van groot naar klein op een rijtje zijn gezet. Later in de negentiger jaren, ter gelegenheid van een reünie met ome Ad uit Canada, is de foto nog een keer gemaakt.

Ooms en tantes, neven en nichten waren altijd dichtbij, op verjaardagen, op vakantie of zomaar bij  onderlinge bezoekjes.

Hoe waren de broers en zussen Winterink vroeger met elkaar in het grote huis in hartje Doesburg? Hielpen ze elkaar? Zaten ze elkaar in de haren? Vertrouwden ze elkaar? Aten ze ’s avonds allemaal met elkaar aan één tafel, wie moesten de afwas doen? Droegen de jonkies de kleren en schoenen van de oudere kinderen?

Ik stel me voor hoe ze geleidelijk aan hun partners vonden en hun weg zochten na de oorlog. De mannen verdienden de kost en de moeders baarden en moederden. Elke zondag gingen ze naar de kerk. Ze brachten hun kinderen groot, zochten scholen uit en knoopten de eindjes aan elkaar. Ze maakten lol als ze bij elkaar waren. Huizen werden gekocht en ze legden geld apart voor later. Ze zagen vriendjes en vriendinnetjes mee naar huis komen; ze waren moe en hielden vol…..alle negen.

En tante Trees, de laatste, zit nu aan tafel op haar kamertje in het verzorgingshuis in Oss. Uitkijkend vanuit haar appartementje over het pleintje voor het huis. Haar zoon komt elke dag langs, verder geen bezoek.

Op een klein scherm op tafel een carrousel met beelden van haar kinderen en kleinkinderen, met updates via internet. Ze leest haar krantje uit en te na met het plaatselijke en regionale nieuws. Drinkt haar koffietje, rommelt en ruimt op. Ze maakt zich zorgen over haar kinderen, heel ver weg en dichtbij.

Ach, Karel, ik heb een mooi leven gehad. Jammer dat Kees zo vroeg overleden is.

Ik heb veel vrienden gehad. De kinderen hebben het goed gedaan.

Ik heb mijn leven geleefd. Ik wacht af wat me overkomt.

Ik ben niet meer religieus, maar heb altijd een bijzondere band gehad met Maria.

Dingen hebben niet meer zoveel woorden nodig

Ik was een keer met tante Willie op een boottocht op zee. Ik was afgezonderd in de natuur en onder de indruk van het grootse en weidse. Er was iets. Ik voelde een goddelijke hand in alles.

Amsterdam, 5 april 2020

 

STILTESTRATEGIEËN

Soms zitten we tegenover elkaar  en valt het stil. Dan flitsten gedachten: Oh jee, nu hebben we niets meer tegen elkaar te zeggen; Hoe houd ik het gesprek op gang? Ik stel een vraag over de kinderen. We kijken elkaar aan, ik zie alle details in haar gezicht. Heeft zij nu ook zulke dramatische ideeën? Wat gebeurt er als we niets zeggen? Hebben andere mensen dit ook?

 

Met andere mensen heb ik nooit  echt last van de stilte. Je bent samen aan het werk en hebt iets uit te wisselen. Je bent aan het vergaderen met een agenda (!). Je drinkt koffie en je hebt elkaar al lang niet meer gezien. Samen sporten vind ik een heerlijke combi van actie en kletsen. Je volgt een cursus en doet wat je wordt opgedragen. Makkelijk zat!

 

Maar in sommige gevallen (thuis met elkaar, een toevallige ontmoeting met iemand waar geen click mee is; een gesprek dat net iets te lang doorloopt) kan het stil vallen wel eens een probleem zijn.

 

In sociale context zijn we goed opgevoed, getraind en gedrild om de stilte te ondervangen.

Deze week loop ik tegen twee ‘stiltestrategieën’ op. Eén uit De pianiste van Elfriede Jellinek en de ander in de film Lucky van John Carroll Lynch. Beide van harte aanbevolen.

Erika wil geen stilte laten ontstaan en zegt iets alledaags, citeert Arnon Grunberg in de VPRO Gids uit het boek van Jellinek. En hij voegt daar aan toe: Het meeste wat wij zeggen is bedoeld om geen stiltes te laten ontstaan. Vooral de stilte vrezen wij.

 

Eerder deze week werd ik blij van het weerzien met Lucky (gespeeld door Harry Dean Stanton in zijn laatste glorieuze rol). Lucky zit aan de koffie met zijn woordpuzzel in een Amerikaanse diner ergens in een woestijnstadje en zegt tegen een onhandige gast: Er is maar één ding erger dan pijnlijke stiltes. Prietpraat.

 

Een heel andere benadering is die van Nan Shepherd, mijn literaire heldin van dit moment!

De levende berg schreef zij aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, na een half leven wandelen in de Cairngorm Mountains in Schotland, één van mijn favoriete plekken op aarde. Haar boek van slechts 130 bladzijden is zeer actueel en indrukwekkend door de combinatie van bergen, zintuigen, elementen, geschiedenis en persoonlijke en alledaagse spiritualiteit.

Zij noteert: Ik mag lichaam en geest dan getraind hebben in verstilling, ik moet ze ook trainen om actief te zijn. Zintuigen moet je gebruiken. Voor het oor is het meest essentiële dat hier [in de bergen]  te beluisteren valt de stilte. Je oor lenen aan de stilte doet beseffen hoe zelden die er is.

 

Met alle drie de strategieën kan ik goed uit de voeten. En jij?

Onder aan de rotswand

….het dunne touw aan de gordel, knellende schoentjes

….eerste haak ver boven de grond, diep inademen

….eerste stap, reikend naar de haak

….waar ben ik aan begonnen?

….stapje voor stapje, warme zon op de rug

….kleine comfortabele richeltjes voor mijn voeten, gladde rots

….dorst, slikken, zon, ademen

….onderarmen verzuren, klimmerszweet, aanmoediging van beneden

….de moeilijkste stappen moeten nog komen, onder het dak inhaken

….op adem komen, rusten, armen losschudden

….de rots boven me aftastend met een hand, beet!

….andere hand hoger zetten, ene voet los, naast de hand op de rand

….afzetten, doorpakken, grote bakken, ik sta op het balkon, veilig!

….alleen aan de wand, omkijkend met de rug tegen de rots, gelukt!

Geen vooruitzicht om dit voorjaar ergens in Zuid-Europa in T-shirt aan de rots te hangen. De fysieke en mentale uitdaging om een moeilijke route klimmen is er niet. We worden weggehouden van de rotsen. Wil Moeder Aarde ons nu niet?

Rotsklimmen is één-op-één, de rots en jij. Voor de eerste stap is gezet, moet er eerst toestemming worden gevraagd: is het okay als ik hier omhoog ga? Als ik mijn handen aan het begin van de dag op de rots leg, dan stroomt het door me heen.

Nan Shepherd schrijft daarover in De levende berg: En daar lig ik dan, op het plateau, met onder mij de kern van vuur die deze grommende, knarsende massa van plutonisch gesteente heeft opgestuwd, met boven mij de blauwe lucht, en tussen het vuur van steen en het vuur van de zon is er gruis, aarde en water, mos, gras, bloem en boom, insect, dier en vogel, regen, wind en sneeuw – de totale berg.

Aan de rots is het is hard tegenover zacht. Het is rots tegen spieren, duidelijk wie er moet incasseren als er iets mis gaat. Het statige en ongenaakbare en mijn persoontje. Bij de miljoenen jaren oude rots voel ik me nederig. Keert de rots zich van me af of ben ik welkom?

Aan de rots is het hard werken, vloeken, zweten, schmieren, smeken, schuren, (wan)hopen, angst, dorst, vertrouwen, genieten, pure concentratie, blijheid, stalen spieren, verwondering, een glimlach, dankbaarheid, pijn, glorie, mislukking en opnieuw beginnen.

En nu doen mijn vingers pijn. Mijn vingertoppen zijn weer kantoorzacht.

De pezen, botjes, spieren, gewrichten, knobbels krijgen zeeën van tijd om te ontspannen en te herstellen. De vingers snappen nog niet helemaal wat er aan de hand is. Er wordt niet meer aan ze getrokken, gedraaid, gestoten. Ze worden niet meer extreem aangesproken. Ik voel steken, het kriebelt. Mijn vingers zijn hard aan het werk tijdens hun vakantie. Mijn handen jeuken.

 

Lummelen, rommelen, klussen, niksen

Nu mijn wereld fysiek kleiner wordt, denk ik aan mijn vader. Een klein In Memoriam.

Mijn vader en moeder trokken zich, na hun werkzame leven terug op de boerderij aan de IJsseldijk net buiten Doesburg, ons geboortestadje.

Mijn vader bracht zijn hele leven door aan stromend water. Hij was geen reiziger, het liefst was hij thuus rond het huus.

Zijn praktische routines op zijn erf en in huis, dag-in-dag-uit samen met mijn moeder, met de woonkeuken (uitkijkend op de grote tuin en de weilanden) als de zetel waarvan uit zijn domein werd bestierd:

....rondjes door de tuin, instapslippers en oud windjack aanschietend in de bijkeuken

….honden en schapen voeren

….krant en post uit de brievenbus bij de oprit halen

….’s ochtends door het keukenraam mimend ‘koffie klaar?’

….een wandelingetje op de dijk, hand opstekend naar de buren en voorbijgangers

….de laatste verwelkte knoppen uit de planten en struiken plukken

….stukje pad schoonvegen

….klusjes in de schuur

….tuingereedschap onder het afdakje zetten

….tuinstoelen inklappen tegen de regen en wind

….tuinsproeier uitzetten

….hekjes van de afrastering controleren

…..honden laten uitrennen in de wei

….nog even op het bankje zitten, de zon dalend achter de dijk

….naar binnen voor het avondeten  ‘dat was heerlijk, Hetty’

en voor het slapen gaan:

….alle deuren op de knip

….verwarming uit, oliekacheltje afsluiten

….tv uitzetten

….alle lichten uit ‘we gaan slapen’

zijn voetstappen op de trap naar boven.

Afbeelding: uitzicht op de Fraterwaard vanaf de IJsseldijk langs de Grietstraat.

Amsterdam, 31 maart 2020