OOG

Bij binnenkomst van de tempel  een nerveuze blik omhoog, oog in oog. Meteen weer: Waar kijk ik naar? Waarom roert het mij zo? Hoe kregen ze dit voor elkaar? Kijk ik hier recht in de hemel?

Een ontzagwekkend weerzien na 40 jaar. Toen met een bus vol tieneradolescenten. Nu aangewandeld vanuit de heuvels van Umbrië en Lazio.

Zoveel overspannen lucht als eerbetoon aan alle goden. Het Licht kijkt op hen neer. De koepel straalt intimiderende macht en rijkdom, overeind gehouden door trots Romeins beton, kleine 2000 jaar geleden gemengd en gegoten. Een omarming in steen en mortel. Ready for take-off, Thunderbirds!

Een koepel met een lichtkrans als kroon, verbinding tussen aarde en hemel. De lucht- en lichtstroom trekt mij naar boven, naar buiten.  Daar komt geen pilletje aan te pas. De bezoeker denkt zichzelf tussen de goden. De ruimte vanaf ooghoogte is voor mij alleen. Heimwee naar een platte aarde, gestolpt.

Volgens www.teggelaar.com verwijst het oog naar een idee van Plato: Het gelukzalige godenras beweegt zich aan de hemel langs prachtige banen waar allerlei schitterende dingen te zien zijn. Iedere god verricht zijn eigen taak en daarbij mag telkens ieder mee die dat wil en kan, want voor afgunst is in de kosmische reidans geen plaats. Wanneer ze naar een feestelijk diner gaan, rijden ze steil omhoog naar de top van het hemelgewelf. […] De (onsterfelijke) rijden, wanneer ze de top van het gewelf hebben bereikt, naar buiten en stellen zich op de rug van de hemel op. Zij draaien dan in de omwenteling [van de hemel] mee en bezichtigen alles wat buiten de hemel is. Het gebied boven het hemelgewelf is nog door geen dichter van hier bezongen en niemand zal het ook ooit naar behoren bezingen.

Wij, kleine goden, kijken vanaf de oculusrand en proberen te zien. Wij dromen en liegen ons een plekje naast de goden. Wij, scharrelaars, doen ons best.

TIJD

Vroeger (vroeger bestaat ineens) zat ikmet mijn broers en zussen in het zonnetje achter op het balkonnetje op krukjes rondom een volle veilingkist uren lang sperziebonen (‘van de boer’) te rangen.  Sperziebonen, snijbonen, doperwten, schoongemaakte spruiten, gewassen en fijngesneden boerenkool en allerlei vleespakketten maakten we voor een jaar. Eén keer per week werd een compleet weekmenu opgehaald uit het vrieshuis in Angerlo, een dorp verderop. Een uitstapje.

Het was een eer als ik door mijn moeder werd gevraagd om koffie te malen. Héél vroeger met een vierkante houten koffiemolen tussen de knieën op een stoel in de keuken, voeten bengelend. Een paar jaar later staand op een krukje onder de Douwe Egberts wandkoffiemolen aan de deurpost, boven mijn macht zwengelend.  Oh nostalgie……..de geur van de verse bonen, het gruizende geluid, de voldoening van het voller wordende glazen schuifbakje, het zwarte gruis opvegen van het zijl, Buisman, een koffiepot met een kijkglaasje, optrekkend water in de koffiefilter, dat werk.     

Daarna werd alles zo anders. Tot aan nu.

Na de ochtendrituelen, laptop openen, telefoontjes, things-to-do, een kijk op de klok. Ik spring op en pak een klein handzaam koffiemolentje, steek mijn neus in het blik, laat de glimmend glanzende gladde bonen door mijn handen gaan, ga zitten op een soort van keukentrapje en maal. Ik maal vier, vijf minuten. Ik en mijn krakende bonen, wiegend met het draaien. De smaakpupillen slaan aan, ruikend gaat de verse koffie in de Italiaan, het gepruttel overal in huis hoorbaar, zin krijgen in.

of

Walnoten rapen in Harlingen of Geldermalsen, zwarte handen, kisten vol. Onderweg terug natte noten proeven, thuis in de badkuip wassen, noten op alle verwarmingsroosters, het rollende geluid van kerende noten. Het maandelijkse kraken aan de keukentafel (waar anders), de rondspattende schillen, de notenkraker ligt metaligzwaar in de hand, proeven, peuteren, selecteren, de prullenbak vol met schillen. Anderhalf uur kraken voor driehonderd gram walnoten. Gekraakte noten tegen het ouder worden.

Laat mij bergen pompoen, aubergine, courgette of wortelen snijden, op een dikke houten plank, mes aangezet, en ik ben een gelukkig mens. Urenlang kisten vol appels en peren direct van de boom in parten snijden in de sapmaker voor de cider, pruttelende emmers in de kelder. Wachten, kijken, maanden verstrijken, bottelen, proeven. Ik kan een uur lang boven rijzend bakmeel hangen. Of witte bonen ’s avonds door mijn vingers in een pan met water laten glijden, ’s ochtends verheugd de deksel tillen, geweld! ’s Avonds een rijke bron van zaden na 24 uur en vuur.

Rangen, doppen, malen, snijden, kraken, wellen, spoelen, drogen vertraagt. Werktuigelijk bevriest de tijd, tastbaar. De herhaling maakt vrij. In aandacht vliedt de tijd. Ik geef me over.

KUCHE

Op deze vrijdagmiddag is het hectisch in hospice het Veerhuis: er is een spoedopname, veel vrijwilligers springen bij. In de huiskamer zit bezoek van de bewoners. Én Richard en David (respectievelijk partner en goede vriend van de voormalige bewoner Daan) staan plotseling in de keuken met een zelfgebakken Kuche.

Ik ben een fan van Richard, vol bewondering over zijn trouw aan zijn stervende partner enkele maanden geleden. Weken lang week hij niet van zijn zijde. Hij had een bed geplaatst naast dat van zijn partner. Regelmatig waren ze samen in de tuin te vinden.

Ik stel mijn rondje langs de bewoners (ik ben Karel de kok) uit en onze tuinvrouw schuift aan. Aan de keukentafel drinken we thee en koffie. Richard snijdt de zelfgebakken cake aan. Onverwacht wordt er een kartonnen draagdoosje boven tafel getoverd: de twee mannen hebben zojuist de as van hun vriend opgehaald bij De Nieuwe Ooster: Nu zijn we weer met z’n drieën.

Nog maar een hapje gebak, van de Johannesbeerkuche…… Het doosje wordt weer op de grond tussen hen ingezet.

Wat is jouw Kuchemoment, Richard?’, vraag ik. Hij vertelt dat hij in zijn studententijd verslaafd is geweest aan cake met sesamzaadjes: grote stukken cake met van die knapperige zaadjes er in. Ik vertel over Herr und Frau Tietmeijer en hun Konditorei aan de voet van de burcht in Bad Bentheim, onze favoriete stopplaats net over de grens.

Langzaam lost het samenzijn op en nemen anderen het gesprek over. Ik maak mijn rondje en als ik vijf minuten later terug ben in de keuken zijn Richard en David al weer weg. Er staat er nog een stukje Kuche op tafel.

Een week later stuurt Richard zijn Kucherecept door.

NB: de namen zijn fictief.

Recept

Ingrediënten

300 gr bloem - ik neem de helft ervan als boekweitbloem

300 gr. fijn geraspte noten (hazelnoten) of amandelen - ik neem normaal altijd amandelbloem, maar je wou misschien experimenteren met verschillende smaken, ook geraspte walnoten met amandelbloem of fijn geraspte amandelen is fijn

300 gr boter - of iets minder, in kleine stukken, maar koud

220 gr poedersuiker - ik neem iets minder

1 ei + 1 eidooier

kruidnagelpoeder - voorzichtig

kaneel - ik neem er altijd meer van

schil en sap van een onbehandelde citroen - of limoen is ook fijn

1 witte oblate (een heel dunne en droge wafel) om op de deeg te plaatsen om de jam op te doen, het gaat ook zonder

1 losgeklopt ei om de taart te coaten

  1. 40 gr fijngesneden amandelschijfjes

poedersuiker vermengd met vanillesuiker om de taart aan het eind te bestrooien

aalbessenjam (rode bessen) niet te fijn, geen gelei

Bereiding

Rasp de schil van de citroen , pers de sap

In een grotere schaal de bloem en geraspte amandelen of noten goed mengen. Boter met de gemengd bloem kruimelen, maar niet te lang, het moet kruimelig blijven.

Alle andere ingrediënten snel toevoegen en vermengen. Maak er een bol van en laat een half uur in de koelkast met folie bedekt staan.

Tweederde van de deeg in een ronde bakvorm doen, oblate erop (of zonder) een vingerdikke rand overlaten en de jam erop.

Op de vingerdikke rand met een deel van de laatste 1/3 deeg een dikke streep plaatsen en met de rest (ja dan kan het soms te weinig deeg zijn...) worsten draaien en op de jamlaag plaatsen. Niet rechthoekig maar als trapeze (heel belangrijk!). Daarna met het losgeklopte ei coaten, amandelschijfjes erop, (ik druppel dan nog een beetje amandellikeur Di Saronno erop) en ca 40 minuten op middelmatige hitte bakken. Niet te heet en niet te droog laten bakken. Als de korst licht bruin is, is het genoeg.

Laten afkoelen, uit de vorm nemen en met een beetje poedersuiker bestrooien, met folie afdekken. Tenminste een dag wachten met aansnijden! De Kuche wordt met de dagen steeds beter.

Bezield land

Aan de Linge in de Betuwe, in de Kortenhoefse Plassen en op het platste Friese land in Baard werken en wonen vrienden op het land. Bevlogen, ondernemend, zoekend, ploeterend, genietend boetseren ze land. Alle momenten zijn ze bezig met het combineren van land, huis, mensen, beesten en bloemen. Elke vierkante decimeter van hun land hebben ze al honderd keer van zeer dichtbij bekeken, aangeraakt, geroken en over nagedacht: Wat gebeurt hier? Wat gaan we er mee doen?

Aan een grote lus van de Linge hebben Martin en Willemijn hun handen vol aan hun geërfde huis en een groot stuk grond: hooiland aan de rivier, een kersenboomgaard achter het huis en een grote tuin vòòr aan de weg. ‘Gemengd bedrijf’, schiet me te binnen vanuit de schoolbanken. Het heeft alles van een voormalige boerderij met schuren en bijschuurtjes, werkplaatsen, werktuigen, koelhuizen, een tractor zonder kap. In later tijden zijn daar de ateliers bijgekomen. Altijd is er werk te doen. Zit je stil dan storten gebouwen in, overwoekeren sloten en paden, barst het kozijnhout en vallen het fruit en de noten ten prooi aan dierenverzamelaars. Er is ook tijd en ruimte om samen te zijn, samen met vrienden koffiedrinken, eettafels vol zetten, feest te vieren en uit te varen. Stadse lui met groene vingers en liefde voor de cirkels van het land. Wij snoeien, rapen, plukken, kamperen en zwemmen hier van harte.

Aan een lange smalle strook land in de Kortenhoefse Plassen (twee honderd meter van de dijk, bruggetje over, vlonder af) ligt de woonboot van Marieke en Jan-Jaap midden in het zompige turfse natte land. Sloot na sloot, oplegakkers die eindigen in de plas, bootjes en supplanken die je ergens brengen. Open langgerekte oplegakkers wijzen naar de horizon, schapenpaadjes wijzen de weg. Hoge bomen gegroepeerd op droge stukjes markeren de toegang tot het bos. Zij zijn sinds kort begonnen met het leven op land en water. Dat begon met namen geven: het Heilig Land, het Land van de Drie Eiken, de Lange Akker en de eerste en tweede Schapenwei. Dat begon met houtgestookte ovens te bouwen voor kleibeelden. Dat begon met wilde schapen. Dat begon met het aanleggen van een moestuin. Dat begon met de vraag: Wat willen we met deze schone weerbarstigheid? Hoe scheppen we voor onszelf en anderen de ruimte voor retraite, dans, natuur, samenwerken. De vraag die ze ons stelden: Welk verlangen wordt bij jou opgeroepen als je hier bent? Wij steken hier elzen, graven geulen, koken soep, sjouwen en peddelen hier van harte.

Aan de landweg, net na het gemeentegrensbord van Baard, bouwen Anke en Oep aan de omuitaanbouw van de schuur naar een woonhuis. De stoffeerderij moest inboeten om te kunnen gaan wonen met uitzicht op een groene woestijn met sloten doorsneden. Eindeloos groen land met een lege horizon. Met daarachter de zekerheid van weer dorpjes met kerktorens, ophaalbruggetjes over vaarten, grote boerenhoeven en rijen knechthuisjes. Gewapend met vier rechtse handen bouwen zij naar eigen-ontwerp-zonder-bouwtekeningen een nieuwe aanbouw met gerecycleerde materialen. Fundering storten op zandgrond, houten opbouw, platendak, de muurvlakken worden opgevuld met leemblokken, een berghutkachel, dat werk. Leven is hier werken is bouwen is nadenken over de volgende klus van morgen. Leven is hier aan de lange tafel ’s avonds tijdens de maaltijd de duizend duizelingwekkende details herhalen, zwaar en inspirerend. Zij branden naar Japanse aard de planken voor de buitenmuur. Dankbaar laten zij zich voortduwen door helpende handen. Wij kruien hier blauwe klei, stoken vuur en lijnen van harte uit.

Het land geeft zich niet zomaar gewonnen. Het land geeft veel na overwonnen te zijn. Het land wikt en weegt: Laat ik toe? Het land herkent de ziel en doet mee.

Amsterdam, 27 december 2020

En dan opeens is de dood daar.

Geweerd, bestreden, gevreesd, verwacht.

Dan toch nog onverwacht.

In al die suizelende momenten die dan gebeuren verlies je grond, zweef je vogelvrij als aangeschoten wild.

De ernst en de onherroepelijkheid is te groot. De verslagenheid niet te beschrijven. 

De intieme sfeer van een zieke dochter waar dicht omheen werd geleefd, wordt wreed verstoord

door ‘vreemden’. 

Er moet gehandeld worden, door wie, door wat, hoe?

Door uitvaartonderneming  Uitvaren en voor mij de eerste ontmoeting met Karel Winterink. Rustig en op de achtergrond neemt hij de teugels in handen.

Hij heeft met degene die overleden is al eerder gesproken. Hij kent de wensen, hij luistert, bemoedigt, vraagt zo nu en dan Gaat het?  Of wil jullie dit echt zo? Is dit goed? Hij heeft nergens haast.

Een mateloos gevoel van onmacht belet het denken.

Verschillende wensen die gesmeed moeten worden gaan over de tafel.

Hij verbindt, wij verbinden. Gaandeweg gaan we alle handelingen door en ontstaat  dat wat er moet gaan gebeuren.

Bij de crematie is hij een onnadrukkelijke aanwezige met een goed leidersvermogen.

Deze Karel heeft een rustgevende kracht. Hij schuwt de humor niet. Zijn aanwezigheid verzacht, hij is gesneden voor dit belangrijke vak.

Twee jaar later zoek ik Karel wederom.

Voor mij is het duidelijk:  ‘Het Uitvaren’ is met Karel aan het roer.

In juli 2020 hebben wij mijn man/vader/broer uitgevaren. Het was een prachtige dag.

Karel is een uitstekende uitvaartbegeleider voor situaties waarin je niet alles tot in de puntjes vast wil leggen. Maar waar  ook ruimte is voor gelukkig toeval.

Mede hierdoor was de  uitvaart nog mooier, ontspannener en prettiger dan we van tevoren hadden kunnen bedenken. 

Karel denkt mee, hij is flexibel en creatief én hij zorgt er voor dat uiteindelijk alles  meer dan goed komt.

Het was een prachtig afscheid.

Helma Pantus

Onze vader werd gediagnosticeerd met een fatale ziekte. Tijdens alle ziekenhuisbezoeken gingen mijn gedachten ook wel eens uit naar de crematie en alles wat daar bij zou komen kijken. Het was voor ons kinderen de eerste keer dat we ons hier mee bezig moesten houden. En we hadden geen idee wat er allemaal bij kwam kijken. Karel Winterink is een klant van mij. Ik regel zijn it-zaken. Zodoende wist ik van zijn beroep. Ik vond hem een sympathieke vent en had zijn website ook al eens bekeken. We besloten met hem in zee te gaan. 

Vanaf het begin was het meteen goed. Enkele maanden voor het overlijden hadden we het eerste contact. In een gesprek gaf ik aan waar wij aan dachten, wat het budget ongeveer zou zijn en praatten we over wat voor man mijn vader was. Ik kreeg al vlot een offerte, zodat er meteen inzicht was in wat het één en ander zou kosten. 

Toen het overlijden van mijn vader naderde is Karel langs gekomen en hebben we, samen met mijn zus en een goede vriendin, een gesprek gehad. Was allemaal heel ontspannen. Geen formeel gedoe, waar wij niet zo’n behoefte aan hebben. Maar wel duidelijk en ook overzichtelijk. We hakten wat knopen door en zodra mijn vader zou overlijden zouden we Karel bellen. 

Toen dat gebeurde kwamen de radartjes in werking. Karel begeleidde ons bij iedere stap. Je moet nog steeds zelf veel doen, maar het was steeds duidelijk wát we moesten doen. Waar keuzes gemaakt moesten worden, kregen we de opties helder voorgeschoteld. En steeds met onze wensen en met die van mijn vader in gedachten. 

Tijdens de uitvaartplechtigheid nam Karel de begeleiding op zich. Wij, als familie, konden ons richten op onze eigen emoties en onze eigen toespraak. Karel regelde de rest. Dat ging op een buitengewoon prettige en ontspannen manier. Wij hebben na de plechtigheid alleen maar complimenten gehad over wat een mooie plechtigheid het was. 

En zo hebben wij het als kinderen ook ervaren. Je voelt je echt op je gemak bij Karel en hij heeft een hele fijne, persoonlijke benadering, waarbij je je gehoord voelt. Wij kunnen Karel van harte aanbevelen. En zelf zullen we hem ook zeker weer inzetten bij een volgende gelegenheid. Hoewel we natuurlijk hopen dat dit nog zo lang mogelijk zal duren…

Michiel Hesseling

Op zondag negen februari 2020 overleed mijn man en onze vader en op maandag moesten wij alles regelen voor de uitvaart. Best even paniek als je dat voor de eerste keer in je leven moet doen. Een paar zaken wisten we maar ook heel veel zaken niet. 

Van een vriendin had ik het afgelopen jaar de naam van Karel doorgekregen. Mijn zus en ik besloten om een grote uitvaartpartij en Uitvaren te benaderen. Als eerste belden we Karel en aandachtig luisterden wij naar zijn stem en zijn verhaal! Het duurde één seconde en wij knikten allemaal instemmend naar elkaar. Met Karel gingen wij deze klus klaren.  Diezelfde dag kwam hij langs en werden de grote lijnen helder uitgezet. Op dag twee dachten we dat we Karel al jaren kenden en op dag drie dachten we: dit wordt de mooiste uitvaart die mijn vader zich maar kan wensen. 

Karel heeft een prachtige combinatie aan vaardigheden en talenten die maken dat hij eerst goed aftast bij wie hij aan tafel zit, goed luistert naar wat de wensen zijn, adviseert als de wensen onduidelijk of verdeeld zijn, ruimte aan iedereen geeft, heel subtiel de planning bewaakt en de regie neemt als dat nodig is.  

Zijn aandacht en geruststelling voor jou als persoon is echt bijzonder. Wij als drie sterke powervrouwen zorgden regelmatig voor een waar kippenhok. Karel weet daar op een gepaste en natuurlijke wijze leiding aan te geven. Zijn humor is goud waard en nog regelmatig denken wij, we moeten weer eens koffie met Karel drinken. Wij hadden vanaf dag één enorm veel vertrouwen in Karel en mede dankzij hem heeft mijn vader een mooi, passend en waardig afscheid gehad. Dank je wel Karel!

Baukje, Angèle en Juliet ten Bokum

Na een blauwe maandag rechten aan de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen stelde een uitzendbureau mij te werk in een oliefabriek in Kleef, net over de grens.  ‘s Avonds op de fiets naar Duitsland voor de nachtdienst. Ik bleek te werken ergens hoog achter, stalen trappen op en af in het fabriekscomplex waar de olie werd geperst: heet, smerig, klein, lawaai, stank, glad ook.

Mijn collega was een gedrongen stevig gespierde zestiger die mij vier keer per nacht kwam ophalen uit ‘de kantine’ voor het schoonmaken van de oliepersen. Dat waren lange gietijzeren stellages met elk circa 20 ‘ramen’ waar in de lengterichting de olie doorheen werd gestuwd en daarmee gefilterd. De ramen raakten na enkele uren vol met residuen die door ons moesten worden verwijderd.

Op het sein van mijn Duitse collega draaiden we de stilgezette vervuilde pers open en schraapten met een spatel in hoog tempo voorovergebogen in de warme pers de ramen aan beide kanten schoon. De loodzware schone ramen verschoven we een paar meter naar achter om aan de volgende te beginnen.

Na enkele ramen kreeg ik het al te kwaad, de collega zweepte me op (‘schneller!’) en bemoedigde de werkstudent (‘nur noch fünfzehn’). Het zweet brak me aan alle kanten uit, de pers moest ‘so schnell wie möglich’ weer in werking worden gesteld. Na tien ramen was ik kapot. De Duitser keek naar me (hij moest het met mij doen)  en gaf me een opbeurend standje: ‘Karl, stell dich doch nicht so dumm ab!’. Na deze schrobbering (‘onnozele, jij kunt beter!’) maakten we het werk (ik op mijn tandvlees) af en mocht ik weer naar het schafthok. Daar viel ik in slaap met mijn hoofd op tafel tot ik weer gewekt werd.

Midden augustus, snik heet, steek ik elzen midden in de Kortenhoefse plassen op een zod op het schitterende land van vrienden met uitzicht op het oude kerkje van Kortenhoef. Elzen woekeren daar aan de slootkant en midden op de lange verende langgerekte ‘eilanden’ tussen het riet. Het streven is om het open landschap te behouden. Zelfvoorzienende schapen (bruine, stevige, gehoornde, kleine schuwe doorzetters) helpen daarbij.

Bij het verdelen van het werk ’s ochtends zie ik er tegen op om in de felle zon het half-moeras in te gaan. Ik heb zin om de stadse luiheid (des te groter op het platteland) te laten duren in dit paradijsje, waar alles wegrot waar je bij staat. Maar ik wordt ook geprikkeld door zelfoverschatting, ‘doe ik wel eventjes’. Het blijkt een gigantische onderschatting te zijn van de els, helemaal op z’n gemakkie met zijn wortels (hard maar nog niet verhout) goed verankerd, zijn zeer buigzame stam en meerdere stammen op één wortel.

De stam buigen tot op de grond, met de spade rondom uitsteken, met de bijl de hardnekkigste wortels te lijf en met z’n tweeën eruit trekken……. Het kost een enorme kracht om de zware kluit met de haarwortels van de els en die van het omringende riet uit de zuigende blubber los te krijgen. Het voornemen om onze krachten te sparen voor de andere vijftig manshoge bomen/struiken wordt keer op keer de kop ingedrukt door de taaiheid, buigzaamheid, weerbarstigheid en wilskracht van de elzen. Het is een strijd in de volle zon, in het zompige land alleen te winnen door niet te denken aan  alle andere elzen die nog gestoken moeten worden.

Ik zie turfstekers in de regen heel lange dagen maken in het zompige zuigende, iets tussen water en land.

Ik, onnozele, tik met mijn wattenvingers dit stukje weg.

Ik ben geboren en getogen in Hanzestadje Doesburg, ‘klein stadje daar aan de IJsselstroom’. Vanaf de kade kan je de Veluwe in de verte zien liggen.

Op de Oude IJssel zeilde ik als fokkemaatje met mijn broers in een houten Schakel.

Aan de Waal bij Nijmegen was het stroomopwaarts wandelen, flaneren, zwemmen, uithuilen en wakker worden.

Op weg naar het zuiden kijk ik altijd uit naar de vergezichten over de Lek, de Waal en de Maas. Bij de naambordjes van de Hollandse IJssel, Linge, Essche Stroom en Dommel maak ik me voorstellingen hoe het stroomt achter de geluidswallen.

Bij Maasluis op de dijk aan de Nieuwe Waterweg kijk ik naar de kolossale zeeschepen en ander vaartuig richting zee.

In een scherpe bocht van de Linge zwemmen we vanaf een steigertje op het land van Martin en Willemijn tegen de stroom in ‘tot aan het slootje’.

Op de kade van de oude binnenstad van Dordrecht vergaap ik me aan de enorme watermassa’s in de  Beneden Merwede, de Noord en de Oude Maas die daar samenkomen en de zee zoeken.

Net over de Belgische grens stroomt de Geul richting Epen. Dit dal is één van mijn favoriete plekjes van Nederland. Doordeweeks een keer op je rug in het gras de voeten bungelend in het koude water.

Wandelend langs de Overijsselse Vecht vanaf Ommen (verzand en met veel dode takken) stel ik me voor hoe de zandstenen blokken vanuit Bad Bentheim in platbodempjes werden vervoerd en uiteindelijk terecht kwamen op de Dam.

Op de Veluwe overvalt me plotseling geluk bij het horen en voelen van het koude snelstromende glasheldere  water in de sprengen en beken, vers uit de bron. Pootje baden in het door de bomen gefilterde licht.

En de Amstel? Ach de Amstel.